1. Is een plastic tulp een afbeelding van een levende tulp?
2 Op welk ogenblik is de wereld er gekomen?

Twee verschillende vragen die beide iets typeren van het filosoferen. De eerste vraag is een vraag van een volwassene. "Veel leerkrachten verwachten van hun leerlingen niet dat ze iets zinnigs weten te zeggen over zo'n onderwerp," schreef de redactie van Het Schoolblad vorig jaar. De samenstellers van de de SLO-map "Filosoferen op de basisschool" menen dat dit een onderschatting is van het abstracte denkvermogen van leerlingen. Het filosoferen met leerlingen is een zeer recente ontwikkeling in Nederland en eveneens in andere landen. Zoals altijd is het logisch dat hierover de meningen binnen de school verschillen. Kunnen leerlingen filosoferen? Wat is het? Waarom moet het? Is er tijd voor?


De tweede vraag is de vraag van een Rienske, toen 10 jaar oud. Haar uitleg was: 'Vroeger stond hier geen huis, het is er gebouwd. Alles wat ik ken, is er op een bepaald ogenblik gekomen. Is dat niet ook zo voor de wereld?' Dit is typisch een filosofische vraag.
Jonge kinderen staan in een omgeving die constant vragen oproept. Zij bedenken zelf geregeld antwoorden op zulke vragen. Ze ontdekken hun omgeving door zich vragen te stellen. Ze zijn ook bezig met het zelf zoeken naar antwoorden, het opzetten van redeneringen, want dat is wat Rienske doet. De 'wereld' is een abstract begrip, het is geen ding dat je kunt vastpakken. Je hebt een taal nodig om over de wereld te kunnen spreken, om deze te bedenken. De relatie tussen het begrip 'wereld' en taal is correct. De conclusie luidt: kinderen filosoferen.

Kinderen filosoferen, dat is een gegeven. Ze moeten wel, want ze leven in een wereld die ze grotendeels niet kennen. Ze willen hun omgeving begrijpen en daardoor onstaan er vragen. Kinderen doen vervolgens twee dingen: ze stellen die vragen aan anderen en ze denken er zelf over na.
Dit zelf nadenken met het doel onszelf en onze omgeving te begrijpen heet traditioneel filosoferen. Het vragen stellen, het nadenken over kwesties die niet elke dag aan de orde zijn, het tussen haakjes plaatsen van vanzelfsprekendheden centraal.


Veel mensen hebben als eerste associatie bij het begrip filosofie diepzinnig gepieker van enigszins wereldvreemde mannen op een stoffig achterafkamertje van een universiteit. Een grotere tegenstelling met het speelse en spontane karakter van kinderen lijkt bijna niet mogelijk. Toch is er een belangrijke overeenkomst tussen kinderen en filosofen: ze zijn beide bezig met het bedenken en formuleren van indringende vragen over leven en werkelijkheid. Kun je weten dat je droomt? Duurt elke dag even lang? Waarom is iets mooi? Bijft een auto altijd dezelfde auto? Zijn er woorden voor alle dingen?
Zulke vragen fascineren kinderen gedurende een bepaalde periode, maar de meeste volwassenen hebben er nauwelijks belangstelling voor.
Met behulp van de lessen uit de map 'Filosoferen op de basisschool' of het boek 'Klein maar dapper' leren kinderen dat het echte vragen zijn.
Het is in het begin belangrijk om met lesmateriaal te werken.

p class="bodytekst-justified">Wat is filosoferen in de klas?

Een houding van nieuwsgierigheid naar hoe anderen over vragen denken waarop we geen gemeenschappelijk antwoord hebben;
een methode van aanpak waarin het samen nadenken en de onderlinge dialoog centraal staan. Er is aan het eind geen goed antwoord, er kan wel een antwoord zijn dat de groep het beste antwoord vindt. Het onderzoeksgebied is het domein van de filosofie en het denken. Filosofie was er al toen natuurkunde
of scheikunde nog niet bestond.

De volgende zaken karakteriseren het filosoferen met leerlingen. Het organiseren van een vorm waarin kinderen leren redeneren. Het leren herkennen en onderscheiden van beweringen, meningen, argumenten , conclusies.


Voorbeeld. De startvraag in groep 4/5 was:
Kun je woorden in een netje vangen?
In het kringgesprek stelt Max: 'Letters zitten vast aan papier.' Hij legt uit dat ze ook wel van brooddeeg of chocolade gemaakt kunnen worden, maar dat letters altijd ergens aan vast zitten. Cherif is het hier niet mee eens, want: 'Mensen verzinnen woorden en dat doen ze in hun hoofd.' Het gesprek heeft ongeveer 10-15 minuten geduurd. Vervolgens wordt aan alle kinderen gevraagd op te schrijven wat het standpunt is van Max en Cherif, daarna wat ze er zelf van denken. Ze moeten dus hun plaats bepalen ten opzichte van deze twee standpunten. De les eindigt in dit geval zonder dat wordt vastgesteld wie gelijk heeft! Door leerlingen in een gesprek zowel te leren de standpunten van anderen te herkennen en vast te stellen en ook hun eigen positie daarbinnen te bepalen: leren ze redeneren, (waarom Max?, waarom Cherif?) leren ze omgaan met meningsverschillen,leren ze hun eigen gedachten te verwoorden.


Het uitvoeren van gedachtenexperimenten waarbij zowel het creatief als het analytisch denken geoefend wordt.
Voorbeeld. De leerlingen wordt gevraagd zich voor te stellen hoe een speelstoutwinkel (SLO-map) eruit ziet. Bij een dergelijke opdracht wordt de fantasie geprikkeld: wat is een speelstoutwinkel, wat wordt er verkocht, wie kopen er, wie verkopen er, waar bevindt zich zo'n winkel? Het blijft niet bij het uitwerken van deze fantasie. Het is een gedachtenexperiment om iets beter te begrijpen, nameljk hoe het toegaat in een speelgoedwinkel. Want door het uitwerken van de speelstoutwinkel wordt een tegenstelling opgeroepen met de bestaande speelgoedwinkel. Vragen die daarom centraal staan zijn: Is dat anders dan in de speelgoedwinkel? Wat is er anders, waarom is dat anders? Het creatieve product, de voorstelling van de speelstoutiwnkel, wordt onderworpen aan een anlyse: wat zijn de verschillen met de speelgoed winkel?


De dialoog staat centraal zowel in bestaande leseen als in deze uitzendingen. Kenmerkend voor het filosoferen is de groep als criterium. We bespreken enkel die idee‘n en gedachten die door iemand uit de groep naar voren wordt gebracht. In eerste instantie mag dus alles gzegd worden, mag elk idee naar voren worden gebracht.
Er moet wel een bereidheid zijn om uit te leggen wat wordt bedoeld. In het gesprek gaat het om het onderzoeken van onze gedachten:
waarom denk je dat? Denken anderen dat ook? Is de ene gedachte beter dan de andere volgens ons?